Solidariteit redde Ruisbroek
De schade bij een overstroming, en zeker als het water 14 dagen in de huizen blijft staan, is enorm. De totale impact op de bevolking is niet in cijfers uit te drukken. De private financiële gevolgen van de dijkbreuk van 3 januari 1976 In Ruisbroek werden geschat op 750 miljoen Belgische frank. De toenmalige burgemeester van Ruisbroek Omer De Pauw en ook het Bijstandscomité van Ruisbroek gingen in 1979 ervan uit dat gemiddeld 80% van de individuele schade op één of andere manier vergoed was. Dat liep niet van een leien dak. Verschillende vormen van solidariteit waren wel bepalend.
Een slechte start.
Als men vandaag terugblikt op de gebeurtenissen van toen kijkt men vooral naar het dramatisch gehalte van de overstroming. Hoe de mensen dit ervaarden. Terecht. De ontreddering was groot. De verbijstering nam nog toe toen de geteisterden beseften dat de overheid veel beloofde maar dat er buiten een provinciaal rampenfonds met enkele miljoenen in kas, niets voorzien was voor rampen zoals deze.
Hoe is het dan mogelijk dat de schadevergoeding niet op een sisser afliep? Zo zag het er nochtans in de eerste maanden wel naar uit.
Ambtenaren van openbare werken die tussen januari en mei langs kwamen voor een eerste schadeverslag hadden geen duidelijke richtlijnen. En al zeker geen wettelijke richtlijnen. Een rampenwet bestond nog niet. Meerdere partijen betaalden sommen uit als ‘voorschotten’ of schadepremie. Het provinciaal rampenfonds, Caritas Catholica, Rode Kruis en Hulpfonds SOS Ruisbroek waren de belangrijkste. De meeste van deze partijen werden al dan niet volledig door giften gefinancierd. Het gebrek aan duidelijke ontbrekende criteria leidde tot een algemeen gevoel van willekeur. Op die manier werden tientallen miljoenen uitbetaald.
Solidariteit als eerste hulp.
Bedrijven zagen de bui al hangen. Een tiental onder hen stelden de staat verantwoordelijk en eisten een volledige vergoeding op basis van het burgerlijk wetboek.